zondag 22 april 2018

Interview met tijdschrift "Over Oegstgeest"

INTERVIEW OVER DE POËZIE VAN EEN ENCLAVE

In het tijdschrift Over Oegstgeest, een uitgave van de Vereniging Oud Oegstgeest, staat een artikel van Freek van Beetz over De poëzie van een enclave dat ook een interview bevat. Het artikel gaat met name in op J. van Oudshoorn, die in zijn vroege jeugd logeerde in het huidige Huize De Olmen.  Het tijdschrift publiceert een zeer oude foto van Huize De Olmen die voortreffelijk de situatie benadert die Van Oudshoorn beschrijft in zijn romans Willem Mertens' levensspiegel en Louteringen.

| Zie verder Freek van Beetz, 'De poëzie van een enclave. Oegstgeest in de literatuur', Over Oegstgeest 30 (2018), nr. 1, pp. 10-11 || n.a.v. Jan Paul Hinrichs, De poëzie van een enclave (Amsterdam: De Wilde Tomaat, 2018). Voor meer informatie over dit boekje klik hier.

zondag 8 april 2018

A.L. Snijders: Eenentwintig (Recensie)

A.L. SNIJDERS OVER VARKENS
 
De Lochemse uitgeverij Het Huis met de Drie Gedichten van Boeije Jansen en Roelof Wullink publiceerde vorig jaar het romanfragment Aardbeien van Joseph Roth. Voor hun nieuwe en vierde uitgave zoeken ze het dichter bij huis: verhalen van streekgenoot A.L. Snijders (1937). De bloemlezing Eenentwintig bevat elf varkensverhalen die in de jaren 1992-2012 in bundels verschenen. Het nieuwe zit in de foto’s van de auteur met varkens en in de thematische samenstelling, niet in de teksten zelf. Snijders hield twintig jaar varkens, at ze volgens deze verhalen ook op en hield van hun ‘heerlijke geur’. Je kon ze beter geen naam geven, omdat ‘dieren met een naam niet geslacht kunnen worden’. Dramatisch hoogtepunt is het met teksthaken ingekorte verhaal over een zeug die pas na uren de wagen van de handelaar in wil: ‘Bij het licht van de koplampen beur ik het geld en als ik met een kaal en schuldig gevoel terugloop naar mijn huis, heb ik nog maar één troost, ik heb iets voor de krant.’ Een varkensspecialist wordt Snijders uiteindelijk ook, al blijft hij boven alles een buitenstaander, ook literair. Remco Campert wordt herkend maar ‘niemand fluistert ooit “daar heb je Snijders” als ik een café binnenkom, maar niemand weet ook dat ik gespecialiseerde kennis meedraag over varkens die bananen eten.’

A.L. Snijders, Eenentwintig en andere varkensverhalen. Lochem: Het Huis met de Drie Gedichten, 2016. 31 p. 500 ex. € 15 (Markt 18, 7241 AA Lochem frederike@huismetdedriegedichten.nl)

| Eerder verschenen in de rubriek 'Schoon & haaks', De Parelduiker 22 (2017), nr. 2/3, p. 172.

Adriana Millenaar Brown: An Unlikely Hero (Recensie)

EEN VOETNOOT BIJ J. VAN OUDSHOORN: ADRIANUS MILLENAAR
 
J. van Oudshoorn (1876-1951) meldt in zijn dagboek (Dagboek 1943-1947, Statenhofpers, 2016), dat hij op zaterdag 6 oktober 1945 op de Haagse Kneuterdijk Adrianus Millenaar (1899-1986) ontmoette, de oud-landbouwattaché met wie hij in de jaren 1928-1933 werkte op de Nederlandse legatie in Berlijn. Hij zat ‘zonder cent’ met hem in café ‘t Goude Hooft. Millenaar had kennelijk veel respect voor de bejaarde oud-kanselier, want bij het afscheid in de Grote Markstraat staat hij ‘met ontbloot hoofd, welk eerbiedsbetoon de aandacht trekt.’ Millenaar vertelt over personele zaken op Buitenlandse Zaken maar Van Oudshoorn noteert niets over de oorlog. Zweeg Millenaar daarover? Bijna de hele oorlog behartigde Millenaar, als enige achtergeblevene in het legatiegebouw aan de Rauchstrasse, onder Zweedse protectie de Nederlandse belangen in Berlijn. Hij zette zich in voor gevangenen en bezocht concentratiekampen en gevangenissen als Sachsenhausen, Buchenwald en Colditz. Zijn in Massachusetts woonachtige dochter Adriana Millenaar Brown (1938), die als kind in Berlijn bleef, publiceert nu zijn biografie An Unlikely Hero die ik liever in het Nederlands had gelezen. De bescheiden, slechthorende Brabantse boerenzoon Millenaar blijft in onze literatuur een voetnoot bij Van Oudshoorn, maar in de wijde wereld was hij veel meer. Weinig Nederlanders zullen zo’n unieke, diepgaande kennis hebben gehad van Berlijn en Duitse politieke verhoudingen, en niet alleen van de jaren twintig en de hele nazitijd: na de oorlog keerde hij als kolonel van de Nederlandse militaire missie in de deels verwoeste stad terug, maakte de Sovjet-blokkade mee en werd uiteindelijk nog consul-generaal. Berlijnse memoires heeft hij helaas niet gepubliceerd.

Adriana Millenaar Brown, An Unlikely Hero: Adrianus Millenaar. Dutch Farmer Turned Diplomat in World War II Europe. Manchester Center, VT: Shires Press, 2015. 271 pp. $ 29,95 (www.northshire.com of www.amazon.com).

| Eerder verschenen in de rubriek 'Schoon & haaks', De Parelduiker 22 (2017), nr. 2/3, pp. 171-172.

C.O Jellema en Paul Beers: Alleen per brief (Recensie)

C.O. JELLEMA EN PAUL BEERS IN GESPREK
 
Dichter C.O. Jellema (1936-2003) kwam in 1981 in contact met vertaler Paul Beers (1935), toen deze redactiesecretaris was van De Revisor. Aanvankelijk draaide het contact om bijdragen aan het tijdschrift, maar uiteindelijk vonden ze elkaar in hun interesse voor Ingeborg Bachmann en Hermann Broch van wie Beers vertalingen publiceerde die de germanist Jellema recenseerde. Ze zagen elkaar op De Revisor-borrels en manifestaties, maar bezochten elkaar niet. Alleen per brief bundelt hun briefwisseling. Het contact loopt tot een paar dagen voor Jellema’s dood, maar lijkt niet diepgaand: er waren periodes van vijf jaar zonder brieven. Het resultaat is weinig opzienbarend, maar wel genoeglijke lectuur, illustratief voor het literaire klimaat aan het einde van de twintigste eeuw. Het was de laatste periode dat literaire tijdschriften nog veel gelezen werden en krantenrecensies de stemming konden bepalen. Als de criticus K.L. Poll, voor wiens Cultureel Supplement in de NRC hij ook zelf recenseert, hem afkraakt, vindt Jellema dat ‘ontzettend flauw’ en concludeert: ‘Het moet iets als jalousie zijn dat hij zulke dingen doet’. Het was ook de laatste tijd van literaire brieven, voor de e-mail de post grotendeels overnam. Het aardigst blijven de zelfportretten van Jellema als een weifelende mopperaar, ‘opgevoed met prestatiedrang, nooit vrij’. Als hij als vroege vijftiger zijn Groningse universitaire baan opgeeft, ontdekt hij een onbestemde leegte om zich heen: ‘er speelt toch ook iets van identiteitsverlies een rol: je bent, ook voor jezelf, iemand als je een baan hebt’. Tijdsbeleving is een hoofdthema. Na de dood van zijn twee jongere broers, vlak achter elkaar, schrijft hij, niet lang voor zijn eigen dood: ‘nu pas begin ik mijn ware leeftijd te beseffen, tot nu toe voelde ik me altijd veel jonger dan ik in werkelijkheid was’. Nederlandse literatuur en eigen poëzie blijven op de achtergrond, al vindt Jellema Maarten ’t Harts proza ‘superkitsch, spelend op de meest kinderlijk-romantische sentimenten’. De briefwisseling is, net als voorgaande bij Flanor gepubliceerde brievenboeken rond Jellema, zorgvuldig door Gerben Wynia bezorgd. De gestempelde enveloppen met Beatrix-postzegels op de omslag doen nu al nostalgisch aan: zullen geprinte correspondenties via de e-mail ooit dergelijke aandacht krijgen?

C.O. Jellema en Paul Beers, Alleen per brief. Nijmegen: Flanor, 2017. 131 pp. € 19.50 (Beijensstraat 30, 6521 EC Nijmegen uitgeverijflanor@gmail.com)
 
| Eerder verschenen in de rubriek 'Schoon & haaks', De Parelduiker 22 (2017), nr. 2/3, pp. 170-171.

Yves Bonnefoy: De gebogen planken (Recensie)

YVES BONNEFOY VERTAALD
 
De Franse dichter Yves Bonnefoy (1923-2016) publiceerde in 2001 de omvangrijke bundel Les planches courbes, die enkele jaren later, aldus de website van uitgeverij Vleugels, op de verplichte leeslijst van Franse scholieren kwam. Dat was uitzonderlijk bij een levende dichter. Uitzonderlijk is ook dat Kiki Coumans de hele bundel vertaalde. De gebogen planken bevat schijnbaar modern aandoende maar vaak verrassend toegankelijke poëzie. Bonnefoy schrijft warme, huiselijke, maar niet kneuterige gedichten, die op en voor de zondag lijken geschreven. In zijn genuanceerde wereld is er geen werk, alleen maar vrije tijd, ruimte en rust voor dromen en meditatie over weersveranderingen en herinneringen. Bonnefoy kiest graag eenvoudige uitgangspunten: ‘Ik weet het nog, het was een ochtend in de zomer, / Het raam stond halfopen, ik kwam dichterbij en / Zag mijn vader achter in de tuin.’ Geen enkele naam van een persoon, straat of stad verstoort de soms even concrete als abstracte beelden. Grote woorden, verklaringen en geleerdheden ontbreken. Bonnefoy levert een bescheiden universum, schijnbaar bij dageraad of in de schemering opgebouwd aan de keukentafel in een Frans plattelandshuis, vervuld van ‘de sereniteit, de vreugde zelfs / Van deze momenten’. Zomerregen tikt als een weldaad in deze poëzie. Aanvaarding van het eigen lot – de grondhouding in deze gedichten – zorgt voor een onveranderlijk bedaarde toon: ‘Laat deze wereld  blijven, / Ondanks de dood!’, ‘Zelfs buiten de tijd breekt de dag weer aan’. De gebogen planken is veruit de belangrijkste uitgave van Marc Vleugels en daarmee de spil van zijn bijzondere Franse programma met titels die nooit bij een andere uitgeverij het licht hadden gezien. Over Bonnefoy valt veel te vertellen, bijvoorbeeld over zijn Shakespeare-vertalingen en exclusieve professoraat op het Collège de France. Mijn vaste kanttekening bij Vleugels – de hardnekkige weigering, ook nu weer, om de lezer via nawoorden van dit soort informatie te voorzien – slik ik voor één keer in. Deze prachtige, ingetogen poëzie spreekt voor zich.

Yves Bonnefoy, De gebogen planken. Vert. Kiki Coumans. Bleiswijk: Vleugels, 2016. 132 pag. 300 ex. € 27,95 (Van ’t Hoffstraat 27, 2665 JL Bleiswijk info@uitgeverijvleugels.nl)

 |Eerder verschenen in de rubriek 'Schoon & haaks', De Parelduiker 22 (2017), nr. 2/3, pp. 169-170.

Marie Adrien Perk: De Ardennen, per spoor (Recensie)

VADER PERK IN DE ARDENNEN
 
Heraut der Tachtigers Jacques Perk (1859-1881) deelt op de Amsterdamse Nieuwe Oosterbegraafplaats een graf met zijn vader Marie Adrien Perk (1834-1916), predikant en schrijver. Jean Frins geeft met zijn Landgraafse stichting Os Moddersproak twee boekjes van vader Perk uit ter gelegenheid van diens honderdste sterfdag. Luxemburgsche legenden (1892) is een compilatie van historische overleveringen over kastelen, duivels en roofridders die volgens Perk moeten dienen als een ‘bijdrage tot de kennis van de Luxemburgse volksaard’. Een noodzaak tot heruitgave speelt eerder bij het boekje De Ardennen, per spoor dat reisschetsen bevat die Marie Adrien Perk oorspronkelijk publiceerde in Belgiës Ardennen (1887). Frins maakte een keuze uit deze bundel en moderniseerde de spelling. Perks lof voor de Ardennen verzandt nogal eens in clichés: Hoei ligt in het ‘verrukkelijke Maasdal’, heeft een ‘heerlijke ligging’ en ‘bekoorlijke omstreken’. Maar Perk heeft ook oog voor de industriële revolutie en ‘fabrieksdorpen zwartgeblakerd door de kolendamp’. Het spoor bepaalt de economie: in de Ardennen is het ‘fabelachtig goedkoop […] waar men niet aan het spoorwegnet verbonden is.’ Er is stof voor historische vergelijking: veel spoorlijnen en stations die Perk noemt, zijn inmiddels verdwenen. De gemeenplaatsen en excursies over plaatselijke legenden maken ook dit boekje soms tot nogal oubollige lectuur maar literair-historisch biedt het wel nuttige achtergrondinformatie: het waren de Ardennen, waar zoon Jacques, met het gezin mee op vakantie, in La Roche de Mathilde leerde kennen die hij in zijn sonnetten onsterfelijk maakte. Geëerd wordt locaal vooral nog de vader: op grond van zijn reisschetsen kreeg deze aanjager van het toerisme in 1912 een monument in La Roche dat nog altijd bestaat.

Marie Adrien Perk, Luxemburgsche legenden. 55 p. € 10 | Marie Adrien Perk, De Ardennen, per spoor. 57 p. € 10 (Os Moddersproak, Brikkebekker 10, 6372 DP Landgraaf fanmoddersproak@yahoo.com)
 
|Eerder verschenen in De Parelduiker 22 (2017), nr. 2/3, p. 169.
 
 

Jacobus van Looy en de Battle of the Somme (Recensie)

JACOBUS VAN LOOY EN DE BATTLE OF THE SOMME
 
Vanaf september 1916 vertoonden Nederlandse bioscopen de Britse documentaire The Battle of the Somme over de slag die op dat moment nog volop woedde en al tienduizenden slachtoffers had gemaakt. Tachtiger Jacobus van Looy (1855-1930) bezocht een voorstelling en schreef er het 432 regels tellende gedicht ‘Het verhaal van den provinciaal’ over dat in maart 1917 in De Nieuwe Gids verscheen. Het lijkt meer een modernistisch verhaal dan een gedicht en staat ver van de gezapige sonnettencultuur van de Tachtigers. Van Looy schetst een broeierig beeld van deze ‘mediagebeurtenis’: een zaal met orkest, sigarenrook, vol gemobiliseerde soldaten en opgewonden burgers waarvan velen voor het eerst de dood op het bioscoopdoek zien. De werkelijkheid van de slag verbijstert: ‘Het was of allen waren in versteeniging, / Een moeder raakte aan den arm haars zoons, bij ongeval, / En dat was al.’ Aan het einde beseft de provinciale bioscoopganger maar al te goed dat het in eigen land nog vrede is maar ’s nachts droomt hij dat hij ‘eigenhandig in een tuin een mensch begroef, /. Tusschen het wuivelende gras, / En ik was / Die doode zelf.’ Onder redactie van Geert Buelens verscheen een heruitgave van dit bijzondere gedicht, met voortreffelijke, informatieve opstellen eromheen. Uit de inleiding blijft me de opmerking bij dat veel Britse bioscoopbezoekers in de film hun mannen, zoons of vaders naar de camera zagen glimlachen, wetende dat ze inmiddels waren gesneuveld. Hoe kwam dat aan in 1916, toen nog vrijwel niemand een familielid op bewegend beeld had gezien? Ik blijf fervent tegenstander van het bij boeken voegen van DVD’s, want die zijn over een paar jaar allemaal kapot, maar ter informatie: men krijgt er nog een film bij van Leo van Maaren met interviews met deskundigen en de tekst van het gedicht, gelezen door Krijn ter Braak. Zonder Huis Clos was dit een plichtmatige, louter academische uitgave geweest. Nu hebben we een subliem door Piet Gerards vormgegeven boek, met de fraaiste en toepasselijk meest vlammende titelpagina uit de reeks die vijf bladzijden in beslag neemt. Ondertussen heeft Huis Clos, actief sinds 1986, in de wandelgangen het einde van haar activiteiten aangekondigd. Ik hoop dat dit vals alarm is. Weinig uitgeverijen zijn in staat middels vormgeving een onbekende historische tekst zo’n onverwachte relevantie en urgentie te bezorgen.

Geert Buelens (red.), Plots hel het werd. Jacobus van Looy en de Battle of the Somme. Rimburg: Huis Clos, 2015. 111 p. € 27,50 (Gerard Terborghstraat 16 hs, 1071 TM Amsterdam willemvandeweteringh@uitgeverijhuisclos.nl).

| Eerder verschenen in de rubriek 'Schoon en haaks', De Parelduiker 22 (2017), nr. 2/3, pp. 168-169.